wat
ik nog weet
door Nel Staalman
|
|
2
Na mijn eerste stukje over herinneringen aan vroeger, bleef ik mezelf afvragen waardoor het toch kwam dat het voor mijn gevoel altijd zomer was.
1 Teruggaan in mijn herinneringen naar ‘ Zuidstraat 91 ‘ geeft me vooral een warm gevoel. Niet alleen omdat het lijkt alsof het altijd zomer was, maar ook omdat het leven toen, gezien door de ogen van een kleine meid, mooi, leuk, simpel en spannend was, en waar familie een grote rol in speelde. Ik hoef niet veel moeite te doen om me het huis, de winkel, de werkplaats en alles wat daar omheen was voor de geest te halen. Als het huis en de winkel er nog zouden staan, dan zou het me vast tegenvallen. Alles zou waarschijnlijk veel kleiner zijn dan in mijn herinnering, maar in mijn ogen was het een gigantische ruimte. Overal kamertjes, nissen, trappen en geheimzinnige donkere hoeken. En een zolder waar de rillingen je over de rug liepen. Voor mij was het de normaalste zaak van de wereld dat tante Tinie en haar man, oom Dik en z'n vrouw en opa en oma ook in het huis woonden. Wij zelf huisden tussen de winkel en de werkplaats. Ik zie de huiskamer van opa en oma duidelijk voor me. In het midden de eettafel, oma’s trapnaaimachine voor het raam, een potkachel in de hoek en in de nis een divan. De kast met ruitjes in de deurtjes, waarachter het glazen potje stond met snoepjes ( hartjes) Aan de wand de scheurkalender, waarvan elke dag de bijbeltekst gelezen werd. Ik zie opa zitten in zijn stoel , zingend: ‘Als ge in nood gezeten geen uitkomst ziet. Wil dan nooit vergeten God verlaat je niet. ‘ en dan: ‘Vrees toch geen nood ‘ waarbij ik altijd aan een pinda moest denken en aan wat je daar nou toch van vrezen moest. Ik zie oma ijverig bezig met naald en draad, de schaar aan een ketting om haar hals, spelden in haar mond,een zilveren vingerhoed op haar middelvinger, waarschijnlijk bezig een jas of broek te keren Oma, in het donker gekleed, met steunkousen aan en het haar in een kunstig gevlochten mandje op het achterhoofd. (De nacht dat opa stierf en oma in haar nachtpon mijn vader kwam roepen, zag ik haar voor het eerst zonder dat ‘mandje ‘maar met het haar in, zoals ik toen dacht, wel honderden dunne vlechtjes, die tot op haar billen hingen. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden.) In hun piepkleine keukentje stond een groene emmer waar Aardappelen op stond. Er zaten geen aardappelen in, maar opa goot ze er ’s nachts in af en oma imiteerde er de Niagara watervallen op, met vaak als extra accentje een ferme wind. Ik zie het ‘kamertje van tante Iet ‘. Een smal kamertje, dat toeliep in een punt, waar zij in haar vrije weekenden sliep. Tante Iet was in mijn ogen heel bijzonder en een beetje omgeven door een waas van geheimzinnigheid. Bovendien droeg ze ’s nachts geen nachtpon, maar een pyjamajasje en een kniebroek. Ik vond tante Iet deftig. Bij de herinnering aan de winkel / het huis horen ook mensen. Heel veel mensen. Zomaar een greep: Je had er nog de melkboer en bakker die thuis bezorgden en de kruidenier Meneer Koorn met maar één arm, waar een loodzware mand aan hing. Hij had een Duitse vrouw, dat vonden wij heel spannend. Opa Dissel, die bij Zr.Zwart hoorde, Japie Meier de schillenboer, en een mannetje met een hoed op, die we Sampelemosia noemden. Ome Ab en tante Stien , Grietje Bakker, Buurvrouw Wuis, Kapper van Amsterdam, Zetta, de zigeunerin, Brugwachter Dol en nog tientallen anderen waarvan ik de namen niet zo snel weet. Maar al deze mensen speelden een rol in mijn leven en over elk van hen is wel een anekdote te vertellen. Die volgen dus nog. En dan waren er de ooms en tantes, nichtjes en neefjes. Wim van tante Tinie was mijn beste maatje en we haalden samen heel wat streken uit. Tegen de ander grote neven keek ik enorm op. Nichtjes kan ik me niet zo goed herinneren. Nu ik er op terugkijk was ik een bevoorrecht kind. Er was altijd wel iemand die aandacht aan je schonk en het was de normaalste zaak van de wereld om een standje te krijgen van een oom of tante als we het weer eens te bont hadden gemaakt.
|