wat ik nog weet                                   

 

 

 

                                                              door Nel Staalman    

                                                           

 2   Na mijn eerste stukje over herinneringen aan vroeger, bleef ik mezelf afvragen waardoor het toch kwam dat het voor mijn gevoel altijd zomer was. 
Het regende vaak pijpenstelen, de gracht lag elk jaar maandenlang verstopt onder een dikke laag ijs en het stormde vaker dan me als kind lief was.
Waarom léék alles dan zo zonnig?
Ineens wist ik het ! Ik snoof lijm.
Tegenwoordig weet iedereen dat lijm een drug is voor arme mensen. De zwerfjongeren in de Oostbloklanden versnuiven heel wat tube’s Velponski of Bisonkitsj , maar ik snoof Solutie.
Die heerlijke geur was niet te weerstaan. Het aroma hing door de hele werkplaats en die kleine blauw-zilveren (?) tubetjes vroegen er gewoon om, om even besnuffeld te worden.
Voordat iedereen nu allerlei hulpinstanties voor me gaat bellen…….ik snuif niet meer hoor en ook toen deed ik het niet de hele dag. Maar regelmatig verdween de punt van zo’n tubetje toch wel in een neusgaatje. 
De geur is me altijd aan blijven trekken. En als ik het ruik dan ben ik weer op de Zuidstraat.

Het is zondagochtend. Pappa heeft Tante Grietje Ophaal Dienst.
Op de fiets, met speciale trekhaak, vertrekt hij naar Huisduinen om tante, die daar in een verpleegtehuis woont, op te halen.
De trekhaak aan de fiets is bedoeld om de bordeaux  rode divan, op wielen , van tante Grietje aan vast te koppelen. Niet dat zij zich op die manier uit een soort luiheid of luxe wil laten transporteren. Nee, het arme mens heeft geen keus, ze is gehandicapt. Haar handen en benen zijn vergroeid door reuma. Haar handen lijken op huisjes met een puntdakje en ze kan haar knieën niet buigen.
Al naar gelang het jaargetijde word tante Grietje stevig ingepakt en vastgegespt, zodat ze er warm en comfortabel bij ligt en de bestuurder van de fiets haar niet bij de eerste de beste hobbel zal verliezen.
-Nu ik er over nadenk moet het een zware klus geweest zijn voor de vrijwilligers die haar om toerbeurt ophaalden. De afstand Zuidstraat – Huisduinen is toch gauw een kilometertje of 4, en dat door weer en wind - 
Maar tante Grietje wil graag naar de samenkomst van het Leger en dat gunnen ze haar.
De divan mag vóór in de zaal staan, onder het indrukwekkende kastje aan de muur, waarin de namen staan van hen die zijn Bevorderd tot Heerlijkheid. En misschien heeft zij er wel eens met een schuin oog naar gekeken en stiekem gedacht : ‘ was het voor mij maar vast zover ‘ 
Na de dienst mag ze bij iemand te gast zijn. Vaak is dat bij oma.
De fiets met divan komt de plaats opgereden en tante Grietje wordt op de benen gezet. 
Twee aanwezige mannen maken een zogenaamd kakstoeltje. Ze pakken elkaar’s handen kruiselings vast, gaan een beetje door de knieën en bieden op die manier tante een zitplaats aan. 
Ik hou mijn adem in, want tante laat zich, vanwege de stijve benen, lukraak achterover vallen en het lijkt me een hele klus voor de mannen om hun armen op het juiste moment ,op de juiste plaats (onder de bibs dus )te krijgen. 
Meestal lukt het in 1 keer.
Dan moet tante Grietje nog naar boven en dat gaat niet zonder slag of stoot. Wel met een hoop gesteun. Want de trap is hoog en met een bocht.. 
Hangend aan de nek van één van de oom’s wordt zij omhoog gehesen. Naar boven is nog de makkelijkste klus. Gelukkig staat er in de kamer van oma ook een divan. Daar kan ze bijkomen van het gedoe. Wat een kwelling moet het voor haar geweest zijn. 
Zou ze er tegenop gezien hebben om ook weer naar beneden te moeten?
Dat moment komt aan het eind van de dag. Hangend aan de nek van weer een sterke oom ondernemen ze de tocht naar beneden. En dat valt nog lang niet mee.
Soms verliest ze de greep om de nek en neemt dan op haar achterwerk de afdaling. 
Gebonk op de trap… gevolgd door een harde bons, veroorzaakt door haar, in speciale schoenen gestoken voeten, tegen de gesloten deur, onderaan de trap.
De beneden aanwezige familieleden snellen verschrikt toe en openen de deur, waarna tante Grietje de laatste 6 treden ook nog kan nemen, om uiteindelijk tot stilstand te komen onder het bureau in het kantoortje. 
Ik vind het hele gebeuren doodeng, akelig en leuk tegelijk.

 

                       

Tot op de dag van vandaag heb ik geen idee in wat voor een relatie tante Grietje tot onze familie stond. Was ze echt familie, een vriendin van oma, of zo maar een kennis.
Er is vast wel iemand die me dit kan vertellen. 



 1  Teruggaan in mijn herinneringen naar ‘ Zuidstraat 91 ‘ geeft me vooral een warm gevoel. Niet alleen omdat het lijkt alsof het altijd zomer was, maar ook omdat het leven toen, gezien door de ogen van een kleine meid, mooi, leuk, simpel en spannend was, en waar familie een grote rol in speelde.

Ik hoef niet veel moeite te doen om me het huis, de winkel, de werkplaats en alles wat daar omheen was voor de geest te halen. Als het huis en de winkel er nog zouden staan, dan zou het me vast tegenvallen. Alles zou waarschijnlijk veel kleiner zijn dan in mijn herinnering, maar in mijn ogen was het een gigantische ruimte. Overal kamertjes, nissen, trappen en geheimzinnige donkere hoeken. En een zolder waar de rillingen je over de rug liepen.  Voor mij was het de normaalste zaak van de wereld dat tante Tinie en haar man, oom Dik en z'n vrouw en opa en oma ook in het huis woonden. 

Wij zelf huisden tussen de winkel en de werkplaats. Ik zie de huiskamer van opa en oma duidelijk voor me. In het midden de eettafel, oma’s trapnaaimachine voor het raam, een potkachel in de hoek en in de nis een divan. De kast met ruitjes in de deurtjes, waarachter het glazen potje stond met snoepjes ( hartjes) Aan de wand de scheurkalender, waarvan elke dag de bijbeltekst gelezen werd. Ik zie opa zitten in zijn stoel , zingend: ‘Als ge in nood gezeten geen uitkomst ziet. Wil dan nooit vergeten God verlaat je niet. ‘ en dan: ‘Vrees toch geen nood ‘ waarbij ik altijd aan een pinda moest denken en aan wat je daar nou toch van vrezen moest. Ik zie oma ijverig bezig met naald en draad, de schaar aan een ketting om haar hals, spelden in haar mond,een zilveren vingerhoed op haar middelvinger, waarschijnlijk bezig een jas of broek te keren  Oma, in het donker gekleed, met steunkousen aan en het haar in een kunstig gevlochten mandje op het achterhoofd.  (De nacht dat opa stierf en oma in haar nachtpon mijn vader kwam roepen, zag ik haar voor het eerst zonder dat ‘mandje ‘maar met het haar in, zoals ik toen dacht, wel honderden dunne vlechtjes, die tot op haar billen hingen. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden.) 

In hun piepkleine keukentje stond een groene emmer waar Aardappelen op stond. Er zaten geen aardappelen in, maar opa goot ze er ’s nachts in af en oma imiteerde er de Niagara watervallen op, met vaak als extra accentje een ferme wind. Ik zie het ‘kamertje van tante Iet ‘. Een smal kamertje, dat toeliep in een punt, waar zij in haar vrije weekenden sliep. Tante Iet was in mijn ogen heel bijzonder en een beetje omgeven door een waas van geheimzinnigheid. Bovendien droeg ze ’s nachts geen nachtpon, maar een pyjamajasje en een kniebroek. Ik vond tante Iet deftig.

Bij de herinnering aan de winkel / het huis horen ook mensen. Heel veel mensen. Zomaar een greep: Je had er nog de melkboer en bakker die thuis bezorgden en de kruidenier Meneer Koorn met maar één arm, waar een loodzware mand aan hing. Hij had een Duitse vrouw, dat vonden wij heel spannend.  Opa Dissel, die bij Zr.Zwart hoorde, Japie Meier de schillenboer, en een mannetje met een hoed op, die we Sampelemosia noemden. Ome Ab en tante Stien , Grietje Bakker, Buurvrouw Wuis, Kapper van Amsterdam, Zetta, de zigeunerin, Brugwachter Dol en nog tientallen anderen waarvan ik de namen niet zo snel weet. Maar al deze mensen speelden een rol in mijn leven en over elk van hen is wel een anekdote te vertellen. Die volgen dus nog. 

En dan waren er de ooms en tantes, nichtjes en neefjes.  Wim van tante Tinie was mijn beste maatje en we haalden samen heel wat streken uit.  Tegen de ander grote neven keek ik enorm op. Nichtjes kan ik me niet zo goed herinneren. Nu ik er op terugkijk was ik een bevoorrecht kind. Er was altijd wel iemand die aandacht aan je schonk en het was de normaalste zaak van de wereld om een standje te krijgen van een oom of tante als we het weer eens te bont hadden gemaakt.